Trouw: Gegrepen door het groen

Arend van de Beld 1956-2013

De heer van de Beld was bewoner van en is overleden in het Joods Hospice Immanuel. In Naschrift, een katern in de krant Trouw, werd zijn leven beschreven.


Door Frans Dijkstra | 8 juli 2013

Temidden van de betonblokken van het VU-ziekenhuis tuinierde hij in een schatkamer van de natuur. Daar lag zijn hart.

Met hem kon je nooit eens rustig wandelen of fietsen. Om de haverklap dook hij de berm in om te knielen bij een plantje dat anderen over het hoofd zouden zien. Hij prevelde dan een lange Latijnse naam en keek er nog eens bewonderend naar. Of hij kneusde een blaadje om de geur op te snuiven.

Dat was al zo toen hij jong was. Als hij met zijn schoolvriend Sjoerd Damstra op groene Zündappbrommers met vakantie ging in Luxemburg of Noord-Frankrijk, dan moest Arend voorop rijden, anders raakte Sjoerd hem kwijt. Als hij geen noodstop maakte voor een plantje, dan nam hij wel een zijweg om een dorpskerkje te bekijken.

Zijn kennis van planten was verbluffend. Dat bracht hem op z’n 24ste bij de hortus botanicus van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Daar gedijde hij zo goed dat hij er nooit is weggegaan, ook al werd het voortbestaan van die groene schatkamer steeds ongewisser.

Als jongetje was hij al gegrepen door de natuur. Hij ging veel op pad met een buurman die tuinen onderhield in het villadorp Bosch en Duin bij Zeist. Dat wilde hij zelf ook gaan doen als hij groot was. Maar zijn ouders aarzelden even toen hij naar de tuinbouwschool wilde, want ze vonden een 12-jarige nog wat jong om al een beroepskeuze te maken. Uiteindelijk besloten ze dat hij zijn talent moest volgen.

Arend was een serieuze jongen. Hij luisterde liever naar de klassieke muziek van zijn ouders dan naar het poplawaai van zijn leeftijdgenoten. Grove taal stond hem tegen, en in plaats van lol te trappen, zat hij in de bibliotheek om de Latijnse namen van planten uit zijn hoofd te leren. Op de lagere tuinbouwschool kende hij meer plantenlatijn dan zijn leraren.

Zijn vader, die aan een hartkwaal leed, stierf toen Arend twaalf was. Hij heeft zijn vader erg gemist, maar hij leerde ook de loop van het leven te aanvaarden. Als hij later met tegenslag te kampen had, reageerde hij met woorden als ‘het is zoals het is’ en ‘het komt zoals het komt’.

Na de lagere tuinbouwschool deed hij de middelbare, en ging hij aan het werk bij hoveniers. Hij trouwde met een meisje dat hij kende van de gereformeerde kerk en ze kregen vier kinderen.

Toen hij in 1980 werd aangenomen bij de hortus van de VU was hij dolgelukkig. Hij werkte in de zaadkamer, die zaden uitwisselde met andere tuinen. De hortus was in die tijd een strak geleide organisatie, waar de baas, de hortulanus, twee keer per dag strak de taken verdeelde. Eigen initiatief was ongewenst. Maar Arends liefde voor het werk ging boven alles.

Zijn grote liefde waren de cactussen, waarmee hij een kas volstouwde. De verzameling is officieel erkend als nationale collectie. Hij kon er uren over praten. Vaak kwam hij thuis met her en der stekels in zijn huid. Hij leek het niet meer te voelen.

Bij bezuinigingen van het Rijk in 1988 werd de VU-hortus veroordeeld tot sluiting. Met kunst- en vliegwerk wist het personeel dat te voorkomen. Maar het aantal medewerkers werd teruggeschroefd van achttien naar drie. Ze werden afhankelijk van vrijwilligers. Arend kreeg de taak die vrijwilligers te begeleiden.

Aanvankelijk vond hij dat moeilijk. De vrijwilligers waren enthousiast, maar ontbeerden de kennis. Hij moest aanvaarden dat ze hun taken anders deden dan hij gewend was, maar als het resultaat goed was, dan had hij er vrede mee. Hij ontwikkelde zijn talent om met alle soorten mensen om te gaan. Dat deed hij ook buiten zijn werk als hij, zelf als vrijwilliger, meehielp bij de opvang van drugsverslaafden.

Zijn huwelijk liep na twintig jaar stuk. Hij ging op zichzelf wonen in Amsterdam-Zuidoost, dichtbij zijn kinderen. Maar zijn ex-vrouw vertrok met het gezin naar Groningen.

Op zijn werk veranderde er ook veel. Toen er een opvolger moest komen voor de bazige hortulanus, zag Arend zijn kans. Maar hij greep ernaast. Achteraf vond hij dat maar goed ook, want hij zou in die baan maar weinig tijd hebben overgehouden voor zijn geliefde planten. En hij was vast ook niet gelukkig geworden in de taaie strijd met bestuurders om het voortbestaan van de hortus.

En eigenlijk was hij als chef tuin en kassen de echte baas over de hortus. Daar lag zijn hart, ook al kwam er niet veel meer van wroeten in de aarde. Om de paar minuten klampte een vrijwilliger of een bezoeker hem aan om iets te vragen. Hij was een wandelende plantenencyclopedie.

Ook een jonge vrouw die werkte op het lab van het naburige VU-ziekenhuis, had altijd iets te vragen als ze haar lunchpauze in de hortus doorbracht. Het werd een jarenlange vriendschap. Als Nettie Rottier kwam, wist hij haar altijd mee te voeren naar iets bijzonders in de hortus. Arend verleidde haar met de geur van de pijpbloem Aristolochia en er bloeide liefde op. Ze bleven wel apart wonen.

Elke dag fietste hij van zijn Bijlmerflat in weer en wind een half uur naar de hortus. Hij was gehard, pas bij min tien trok hij handschoenen aan.

Totdat vier jaar geleden bij hem slokdarmkanker werd ontdekt. Hoewel zijn levensverwachting drastisch korter werd, kocht hij een auto, om sneller door het leven te gaan. Arend maakte ook een dag in de week vrij om met zijn jeugdvriend Sjoerd te wandelen en te praten. Ze hadden de Nijmeegse Vierdaagse willen lopen, maar dat bleek te zwaar. Wel haalden ze vier etappes van dertig kilometer over het Pieterpad. En natuurlijk dook Arend steeds de berm in.

Hij leek te herstellen, toch bleek in februari dat het einde van zijn leven nabij was. Toen er een plaats was in het Joodse hospice Immanuel liet hij zich daar opnemen. Nettie trok bij hem in. In april zijn ze getrouwd.

Hij knapte er op zodat ze samen nog uitstapjes konden maken. Hij wilde leven, niet in bed liggen. Vlak voor hij stierf, zat hij nog met zijn rolstoel in de tuin waar hij in de verte net een glimp kon opvangen van de bomen in zijn hortus.

Als het kon, ging hij even naar zijn werk. Bij een zwepenboom die hij zelf twintig jaar geleden had geplant om schaduw te bieden voor een kas, bleef hij staan. “In die boom zou ik wel begraven willen worden”, zei hij. Er was inmiddels schaduw genoeg, en de boom kon gemist worden. Het hout werd zijn grafkist.

Arend Harm van de Beld werd geboren op 29 augustus 1956 in Zeist. Hij stierf op 8 juni 2013 in Amsterdam.