Visie: Tot de laatste adem gericht op het leven

24 oktober 2014 | EO Visie
Buiten plukt de herfst handenvol bladeren van de bomen; binnen is de vergankelijkheid niet alleen in dít jaargetijde, maar vier seizoenen lang zichtbaar. In Joods Hospice Immanuel te Amsterdam-Buitenveldert – het eerste Joodse ‘sterfhuis’ van Europa – staat echter niet de dood centraal, maar het leven.

Op deze doordeweekse novemberdag zijn er drie vrouwen in de ruime, lichte woonkamer. Twee van hen liggen stil in bed, zwaar vermagerd en met een bleke huidskleur. Mevrouw Vink*, die een blauwe doek rondom haar haarloze hoofd draagt, zit aan de tafel. Een van deze vrouwen zal het einde van de dag niet halen.

Himalaya

“U bent hier al heel lang, hè, vanaf maart?” Oprichtster en directeur drs. Sasja Martel (1954) buigt zich over het bed van mevrouw Van Praag*, die nauwelijks zichtbaar knikt. Zij ligt in de woonkamer en kijkt in de richting van de glazen serre. “U vindt het gezellig hier, toch?” vraagt Sasja, die een davidsster om haar nek draagt. “Ik was liever thuis,” klinkt het fluisterzachte antwoord. “Maar ik word heel goed verzorgd.” “U hebt ooit de Himalaya beklommen, hè?” Mevrouw Van Praag glimlacht. “Ik ben tot het basiskamp gekomen, vanaf de Nepalese zijde.”

Haar zoon arriveert met een laptop onder zijn arm, waarop duizenden foto’s zijn opgeslagen. Eén voor één bekijkt mevrouw Van Praag de beelden uit haar leven. Die variëren van twee kinderen die met een bal in het water spelen, tot panoramabeelden van majestueuze Zwitserse bergen en familieportretten.

“Het is een sterke vrouw,” zegt Sasja even later op haar kantoor. “Ze gaat haar negende maand bij ons in en is er niet zomaar onder te krijgen.”

De hospice biedt plaats aan maximaal zes bewoners, en staat open voor Joden én niet-Joodse mensen. “Wat ons huis bijzonder maakt, is dat veel bewoners uit de doelgroep komen; dit zijn vaak mensen met een oorlogsverleden. Het zijn echte survivors (overlevers, red.), omdat ze een enorme overlevingsdrift hebben. Hun lichaam heeft hen in de steek gelaten, maar ze hebben een houding van: ‘Ik moet doorvechten.’ Wij hebben gemerkt dat ze, door een voor hen veilige en vertrouwde omgeving te creëren, langzaam maar zeker leren dat ze zich niet meer hoeven te verdedigen.”

Verse bloemen

Het woord ‘sterfhuis’ (men spreekt hier overigens liever van een bijna-thuis-huis) roept onwillekeurig associaties op met somberheid, verdriet en een allesdoordringende mineurstemming. Maar het hele interieur – van de vloer en de muren tot het meubilair – ademt een zekere joie de vivre: levenslust. Alle kleuren hebben een link met de natuur, van het terracotta op sommige muren en het steengrijs op de vloer, tot het sinaasappeloranje van de gordijnen. En overal staan boeketten met prachtige verse bloemen, die elke week belangeloos worden geschonken door een bloemenbedrijf uit de regio.

Uit allerlei details blijkt het specifiek Joodse van deze hospice. Zo is er buiten een speciale sjabbatsbel, hebben alle deurposten schuin bevestigde mezoeza’s, is er een kosjere keuken en staan er in de huiskamer allerlei rituele voorwerpen voor de sjabbat. In de bescheiden boekenkast ontbreken, naast moderne literatuur, typisch Joodse titels niet.

Kippenvel

Over boeken gesproken: aan de basis van deze bijzondere hospice ligt de fascinerende studie Sterk als de dood (uitgeverij Eburon, 2004) van Sasja Martel, die van origine theologe is en sinds 1976 Jodendom doceert in binnen- en buitenland. In dit boek beschrijft zij hoe de Joodse traditie omgaat met sterven en rouw, verdriet en troost.

“Ik was al vijftien jaar met dit boek bezig, als een soort hobby. Op een gegeven moment ontdekte ik dat de Joodse omgang met mensen die stervende zijn, naadloos aansluit op wat nu palliatieve zorg heet. Dat je de mens z’n eigen autonomie laat behouden, met waardigheid bejegent, maar ook de familie aandacht geeft, zijn allemaal dingen die het jodendom al eeuwenlang in regels heeft vastgelegd. Toen dat tot me doordrong, kreeg ik letterlijk kippenvel. Want ik dacht: ‘Hoe kan het dat die Joodse traditie, die zo oud is, al concreet in regels heeft neergelegd hoe je met stervende mensen omgaat, terwijl de palliatieve zorg nog maar zo’n dertig jaar jong is?’”

Omdat haar nieuwsgierigheid gewekt was, zocht Sasja op internet naar een Joods hospice in Nederland. Die bleek niet te bestaan. Haar droom werd geboren: de realisatie van een zelfstandige Joodse hospice. “Het idee ontstond in 2002; het heeft mij en anderen vijf jaar gekost om dit te bereiken. We zijn op 15 mei 2007 opengegaan. Ik zit echt in mijn droom te werken: een huis met veel licht, middenin de wereld – we staan aan de drukste verkeersader tussen Amsterdam en Amstelveen – en overal uitzicht naar buiten.”

Oorlogsverleden

Dat voor de naam Immanuel is gekozen, noemt Sasja een toevalstreffer. “Met de penningmeester en de arts waren we actie aan het voeren om deze hospice te realiseren, en we moesten op een gegeven moment een naam hebben. Een naam die Joodse en niet-Joodse mensen zou aanspreken, inhoud heeft, en eentje die voor iedereen uit te spreken is. De penningmeester kwam met deze suggestie; ik was meteen enthousiast: ‘God met ons.’ Wij werken vanuit dat principe, en hopen dat er zegen op dit huis rust. Hier zeggen we altijd: ‘God heeft een helpende hand nodig en dat zijn mensen.’ Wij zijn Gods helpende hand. In eerste instantie richten we ons op personen met een Joodse identiteit en affiniteit, maar als er mensen met een andere gezindte op onze deur kloppen omdat ze in nood zijn, nemen we hen ook op. Soms liggen we vol met niet-Joodse, en soms met uitsluitend Joodse mensen.”

Dat dit hospice bestaat en tot op de dag van vandaag het hoofd boven water houdt, is niet vanzelfsprekend. Het huis is vrijwel volledig afhankelijk van giften en donaties van particulieren, bedrijven en fondsen. Van de bewoners wordt een eigen bijdrage gevraagd van zeventig euro per dag, als tegemoetkoming in de verblijfskosten. Dit is echter lang niet voldoende om de exploitatie te dekken. “Als er onvoldoende donaties zouden komen, gaan we op zeker moment dicht,” peinst Sasja. “Maar ik zeg altijd: ‘Als je iets goeds doet, krijg je dat op de een of andere manier terug.’”

Varkenshaasje

“We zijn een zelfstandig Joods hospice, los van de verschillende Joodse denominaties, die voor iedereen toegankelijk is,” vervolgt ze. “Als iemand zeer orthodox leeft, kunnen wij de zorg bieden die daar volledig rekening mee houdt. Maar er zijn anderen voor wie dat helemaal niet leeft. We hebben boven een keukentje, waar familieleden alles kunnen koken wat ze zelf willen, zelfs een varkenshaasje.”

Ze legt uit dat bewoners de baas zijn in hun eigen kamer. “We hebben hier protestantse mensen gehad die een kruis aan de muur hingen. Een zeer katholieke mevrouw heeft de ziekenzalving op haar kamer ontvangen. Niet alleen de rabbijn komt hier binnen, maar ook de priester en de dominee. Op hun kamer kunnen de bewoners zelf – samen met hun familie – bepalen wat ze willen. Het is hún leven.”

Vrijwilliger

Wat opvalt, is dat alles in deze hospice met nesjomme gebeurt. Dat betekent letterlijk ziel, maar staat ook voor bezieling, gezelligheid, betrokkenheid, warmte en veiligheid – het is eigenlijk niet te vertalen met één woord. De circa tachtig vrijwilligers dragen daar elk hun steentje aan bij.

Erika* is sinds een jaar vrijwilliger. Omdat ze zelf niet Joods is, moest ze aanvankelijk wel wennen aan alle regels. “En het gebeurt nog steeds dat ik nieuwe dingen leer.” Wat motiveert haar om een stukje van haar tijd – twee dagdelen per week – op te offeren? “Mijn man, die inmiddels is overleden, was twaalf jaar invalide. Ik had al eerder vrijwilligerswerk gedaan, maar met weinig diepgang in de contacten. Toen ik stopte met werken, kwam ik via de sportschool in contact met een vrouw die hier werkte. Zij vroeg of ik een keertje wilde meelopen. Dat deed ik, maar ik vond het vreselijk heftig – altijd alleen maar met doodzieke mensen werken. Ze heeft me overgehaald nóg een keer te komen kijken, en toen ging ik overstag. Nu vind ik het prachtig. Al neem ik in de zomer altijd wel een paar weken vrij, om even afstand te nemen. Het is best heftig en met sommige bewoners bouw je echt een band op.”

Erika stapt aan de kant om enkele collega’s door te laten, die de derde vrouw die zich in de woonkamer bevond terug te rijden naar haar kamer op de eerste verdieping: het leven ebt uit haar weg. De familie wordt ingeseind, want het einde kan snel nabij zijn.

Laatste snik

“Er zijn sinds de opening al vijftig bewoners geweest,” vertelt de Joodse hospicearts Ruben van Coevorden, die niet ver hiervandaan een eigen praktijk runt en dagelijks naar ‘Immanuel’ komt. Op de vraag naar het waarom van een Joods hospice, antwoordt hij: “Het gaat erom dat mensen recht hebben op een waardig levenseinde, in een voor hen veilige en vertrouwde omgeving. Bij Joodse mensen spelen specifieke regels en gebruiken een rol, waar hier rekening mee wordt gehouden.”

Achter zijn bureau hangt een wit T-shirt met de naam Joods Hospice Immanuel. Eronder het advies: ‘Vier simches, de tsores komen vanzelf.’ “Vier de vreugdes, de zorgen komen vanzelf,” vertaalt hij. “Het léven staat hier centraal. Dat is onze Joodse visie: het leven moet je tot de laatste snik proberen te leven. De dood komt vanzelf wel. We proberen te bereiken dat mensen op een natuurlijke manier overlijden, met zo min mogelijk pijn. Het is niet altijd mogelijk de pijn helemaal weg te krijgen, maar volgens de Joodse traditie mogen we morfine bijvoorbeeld ten volle gebruiken – zelfs als dit het overlijden zou versnellen. Er is onderzoek gedaan waaruit bleek dat als je morfine in de goede proporties toedient, dit het leven eerder verlengt dan verkort.” Binnen deze hospice wordt geen euthanasie toegepast. Het onderwerp komt soms bij intakegesprekken ter tafel, maar tot nu toe heeft geen enkele bewoner aangegeven een euthanasiewens te hebben.

Auschwitz

Sasja, Ruben en het oprichtingsbestuur – onder wie zelfs een rabbijn uit Israël, die weet hoe je Joodse wetten en regels vertaalt naar verantwoorde technische toepassingen – hebben zeer grondig nagedacht over de inrichting. De arts geeft een voorbeeld: “Mensen die Auschwitz hebben overleefd, krijgen bij een gewone badkamer ogenblikkelijk associaties met een gaskamer. Daarom hebben wij onze badruimte aangekleed: er hangen gordijnen, er staat een plant, en er is een vluchtraam. Ook al zullen mensen fysiek niet in staat zijn te vluchten, het idee dat je het zou kúnnen, is voor hen geruststellend.” Gestreepte kleding is hier trouwens eveneens verboden, want ook dat doet aan de kampen denken. En om dezelfde reden hebben de kamers geen nummers, maar afbeeldingen en namen van planten en bloemen uit Israël.

Hoe gek het ook klinkt: er zijn ook bewoners die ‘springlevend’ de deur uitgaan. “Dat hebben we tot nu toe twee keer meegemaakt,” vertelt de arts. “Zoiets is natuurlijk heel mooi om te zien, maar ook wel verbijsterend: deze mensen kwamen hier met het idee dat ze zouden blijven. Met tranen in hun ogen namen ze afscheid. Want ze hebben het hier goed gehad en moeten weer aan de shock wennen dat ze opnieuw een kans krijgen. Beide bewoners waren echt terminaal, maar zijn bij ons opgekalefaterd. De een zit nu in een verzorgingshuis, de ander in een verpleeghuis. Dat gebeurt dus ook. Dit zijn kleine successen.”

Heerlijk

“Eerst even m’n strik goed doen,” glimlacht mevrouw Vink in de serre, nadat ze de fotograaf toestemming heeft gegeven om foto’s te nemen. “Het is heerlijk om hier te zijn,” geeft ze aan. “Waarom? Vanwege de verzorging. Vanwege alles. Ik ben hier drie weken geleden gekomen en voelde me er gelijk thuis. Ze helpen me geweldig. Met het opstaan, het naar bed gaan, met alles. Het is net of ik hier in m’n eigen huis ben.”

Mevrouw Vink komt uit Amstelveen en is zelf niet Joods. “Ik ben katholiek, maar ik pas er gewoon tussen.” Waarom koos ze voor dit huis? “Er was niet zo gek veel plaats op het moment dat ik moest kiezen. Mijn kinderen vonden het heel mooi, en ik ook. Ik had er nooit van gehoord, maar ik voelde me hier meteen thuis. Het is net of ik er altijd ben geweest. Ik zou niet graag weg willen. Dat is mijn grootste angst. Maar het hoeft gelukkig niet.”

Sasja Martel komt even bij haar zitten. “U gaat hier uw verjaardag toch nog vieren, mevrouw Vink?” Ze fronst even en reageert: “Dat is 20 december… dóen we!”

* Om privacy redenen zijn de namen van bewoners gefingeerd.

    Sterk als de dood

    Het boek van Sasja Martel, Sterk als de dood, Sterven en rouw in Joods perspectief (uitgeverij Eburon, 2004) telt 368 bladzijden en kost € 44,00. Het is te bestellen via de boekhandel en via de website van het Joods Hospice Immanuel (klik hier om het boek te bestellen).